Correspondance d'Isabelle de Charrière

Presentatie

Voorgeschiedenis van deze digitale editie

Bijna 50 jaar geleden werd – officieel – het initiatief genomen om over te gaan tot de publicatie van het Verzameld werk van Belle van Zuylen / Isabelle de Charrière. In de bijeenkomst op Slot Zuylen,waar een en ander tot stand kwam, was Geert van Oorschot de centrale figuur, die dit mogelijk zou gaan maken – dat was al lang zijn wens, en vooral (zo vertelde later zijn zoon Wouter) was het de wens van zijn vrouw. Hij had de medewerking van een internationale redactie die zich met het oog op dit project had geformeerd, en die bestond uit Jean-Daniel Candaux, Cecil P. Courtney, Pierre H. Dubois, Simone Dubois-De Bruyn, Patrice Thompson, Jeroom Vercruysse en Dennis M. Wood. Enkele jaren later, in 1974, werd tevens – en wederom op Slot Zuylen – het Genootschap Belle van Zuylen opgericht [zie lijst sites], zodat men zich al bij voorbaat van achterban en publiek verzekerde.

En ca. 10 jaar later waren inderdaad de 10 delen Oeuvres complètes bij de voorintekenaars beland en in de winkel te koop. Dat dit nog wel enige voeten in de aarde moet hebben gehad, blijkt in een brief van Van Oorschot aan de redactie, waarin hij zijn verontrusting uitspreekt over het exponentieel toegenomen aantal teruggevonden brieven – dit terwijl vanaf het begin vast had gestaan dat er zes delen correspondentie zouden komen. De pagina-aantallen zijn wat dit betreft illustratief: deel I bevat 261 brieven op 637 pagina’s; deel VI heeft er 452 op totaal 1093 pagina’s (met indexen etc.).

Vanaf de vroege jaren tachtig gingen vervolgens vertalers en biografen aan het werk, zodat er in 1993 inderdaad twee lijvige biografieën verschenen [zie bibl.], waarvoor drie van de OC-redactie-leden verantwoordelijk waren. Dit leidde tot een aantal minder lijvige biografieën, tot vertalingen in allerlei talen, bloemlezingen dito, een film (in het Nederlands), en waarschijnlijk een opvallende toename van bezoekers aan Slot Zuylen.

In het bijzonder de stad Utrecht zag hier een mogelijkheid: in een nieuw te bouwen stadsdeel, niet al te ver van Slot Zuylen, zou – volgens een plan uit 2007 – een toren moeten komen, hoger (262 m.) dan de Dom (112 m.), en die de naam Belle van Zuylen zou krijgen! De bouw ging uiteindelijk (gelukkig…) niet door, maar zal er toch toe hebben bijgedragen dat Belle van Zuylen sinds 2008 de Utrechtse literaire canon aanvoert, en dat de stad de eretitel “Utrecht Unesco City of Literature” draagt.

Dit alles – uiteindelijk – dankzij de 10-delige editie van Belle van Zuylen’s Oeuvres complètes, waarin dus ook de brieven worden beschouwd als “oeuvres”, en waar de romans, het toneelwerk, de essays en de muziek (slechts vier delen…) een toegift lijken te vormen. Of die visie helemaal terecht is, doet hier nu niet ter zake. Hij correspondeert met de grote belangstelling die er inmiddels bij een ruim publiek bestaat voor wat Belle van Zuylen, als heel jonge enigszins eigengereide vrouw, en later Isabelle de Charrière, als de centrale figuur in een internationaal netwerk, te zeggen hadden/hebben tegen leeftijdgenoten en tegen jongeren, tegen tijdgenoten en tegen ons nu, diverse generaties later.

Doelgroepen

Sinds de vroege jaren tachtig is er veel veranderd. Niet alleen is dankzij de DBNL nu heel gemakkelijk vast te stellen welk een indrukwekkende activiteit Simone Dubois in de jaren voorafgaand aan en volgend op de publicatie van de Oeuvres complètes heeft ontplooid [zie linkDBNL], is er nu ook de behoefte om de teksten van een auteur als Belle de Zuylen niet meer alleen op papier en lineair te genieten, maar ook in digitale vorm en online – dit temeer omdat wij weten dat er voor Belle van Zuylen inmiddels in 26 talen Wikipedia-pagina’s zijn aangemaakt [zie lijstPaul] Aan deze behoefte heeft het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis tegemoet willen komen – wat mogelijk was enerzijds dankzij de in het instituut ontwikkelde digitale editie-tool eLaborate en de al genoemde medewerking van een aantal vrijwilligers/citizen scientists, en anderzijds omdat het transcriptiewerk reeds was uitgevoerd met het oog op de “papieren” editie.

Bovendien waren in deze editie annotaties en persoonsbeschrijvingen aanwezig, die weliswaar vooral gericht waren op onderzoekers, maar die wij – in iets vereenvoudigde vorm, ook hebben gebruikt om de digitale versie van de correspondentie zoveel mogelijk geschikt te maken voor een breder publiek.

Met het oog op datzelfde bredere publiek (zoals Nederlandse scholieren die werkstukken moeten maken), treffen wij ook voorbereidingen om aan de brieven (Nederlandse) vertalingen toe te voegen (later wellicht ook Engelse…).

Daarnaast blijft het onderzoek voortgang vinden, en ook de onderzoekers gaan baat hebben bij de makkelijker toegankelijkheid van deze brieven. Voor het onderzoek naar de contemporaine receptie van het werk van Belle van Zuylen is het bijvoorbeeld van belang dat nu de mogelijkheid bestaat om vanuit de internationale database NEWW (New approaches to European Women’s Writing) directe linken aan te brengen naar de receptiedocumenten (zoals kranten en tijdschriften), die ook hoe langer hoe meer online staan, en naar informatie over de schrijfsters die Belle van Zuylen zelf las en over wie ze zich – in positieve of negatieve zin – uitsprak [zie NEWW].

Gebruiksaanwijzing hier ????

en: zo uitgebreid als Annemarie dat doet ???

Leave a Reply